Zo bekend, zo onbevraagd
Je hebt het ongetwijfeld voorbij zien komen op een flipover tijdens een managementtraining: je moet je leiderschapsstijl aanpassen aan de medewerker. Sturen bij beginners, loslaten bij experts. Het klinkt zo logisch als een handleiding van de IKEA. Maar wat als dit model - dat al decennialang blind wordt onderwezen - wetenschappelijk flinterdun is? En erger nog: wat als het de plank volledig misslaat in hoe wendbare, moderne organisaties écht werken?
De aantrekkelijke belofte van situationeel leiderschap
Het uitgangspunt is prachtig. Er bestaat niet één heilige manier van leidinggeven. Een goede manager is een kameleon: de ene keer sturend, de andere keer coachend, en als het kan loslaten. Je schakelt flexibel tussen stijlen, afhankelijk van de situatie en de persoon tegenover je.
Dit is de kern van situationeel leiderschap, een concept dat eind jaren '60 werd ontwikkeld door Paul Hersey en Ken Blanchard. Hun model groeide uit tot een van de meest hardnekkige instrumenten in leiderschapstrainingen wereldwijd. Miljoenen managers zijn ermee platgegooid. De kans is groot dat jij de gekleurde kwadranten ook ergens in een la hebt liggen.
Maar in de weerbarstige praktijk van vandaag begint het model aan alle kanten te rammelen.
Wat is situationeel leiderschap? (Definitie)
Situationeel leiderschap is een managementmodel waarbij de stijl van leidinggeven wordt aangepast aan de 'taakvolwassenheid' (de bekwaamheid en motivatie) van de medewerker. Het model van Hersey en Blanchard onderscheidt hierin vier vaste stijlen:
- S1: Instrueren (Veel sturing, weinig ondersteuning) - Voor de onzekere beginner.
- S2: Coachen (Veel sturing, veel ondersteuning) - Voor de lerende medewerker.
- S3: Ondersteunen (Weinig sturing, veel ondersteuning) - Voor de bekwame twijfelaar.
- S4: Delegeren (Weinig sturing, weinig ondersteuning) - Voor de zelfstandige expert.
Managers in een maliënkolder
Om te begrijpen waarom dit model de plank misslaat, moeten we terug naar de tijd waarin het werd geboren: de jaren zestig. Een decennium van stijfsel, typemachines en gelaagde, top-down hiërarchie. Het was de tijd van de 'bevelen en controleren'-cultuur. De baas was de alwetende kapitein op het schip, en de werknemer was een instrumenteel radertje in de machine die braaf instructies opvolgt. Het model van Hersey en Blanchard is een product van die specifieke tijdgeest.
Eigenlijk is het model een management-fossiel. Een prachtig, historisch relict, alsof het door geologen is opgegraven uit een ver verleden. En daar zit de crux: iedereen begrijpt dat je onze militairen vandaag de dag niet naar het front stuurt met een middeleeuwse maliënkolder of een Romeins zwaard. Maar in managementland doen we het gewoon. Leiderschapstrainingen zitten vol modellen die stammen uit het tijdperk waarin gewillige fabrieksarbeiders als middeleeuwse lijfeigenen werden benaderd.
Hoe het model de werkelijkheid misleidt. Vijf inzichten
1. De werkelijkheid laat zich niet vangen in twee assen
Het model reduceert leiderschap tot een simpel rekensommetje met twee variabelen: hoe goed kan de medewerker het, en hoeveel zin heeft diegene erin? Maar een organisatie is geen laboratorium. Systemisch gezien is een medewerker nooit een losstaand poppetje, maar altijd onderdeel van een groter krachtenveld.
Wat als een medewerker hartstikke bekwaam is, maar er in de onderstroom van het team een destructief patroon vreet? Wat als door ingrijpende gebeurtenissen de organisatiecultuur zich zo heeft ontwikkeld dat eigen initiatief onbewust wordt afgestraft? Het klassieke model negeert de complete context waarin leiderschap plaatsvindt. Het sleutelt aan het individu, terwijl het probleem in de dynamiek van het hele systeem zit. Hersey en Blanchard doen alsof de manager en de medewerker samen op een onbewoond eiland met twee assen zitten, veilig afgesloten van de wetten van de onderstroom.
2. De manager is geen expert
Het model stamt uit een tijdperk van gelaagde, hiërarchische fabriekscultuur diep uit de vorige eeuw. De aanname was simpel: de baas weet hoe het moet, en legt dat uit aan de werkvloer. Die wereld bestaat niet meer. Arbeiders van toen zijn de professionals van nu. Ze beschikken over bakken vol specialistische expertise waar hun leidinggevende vaak geen kaas van heeft gegeten. Een senior developer laat zich niet 'instrueren' door een manager die de code niet kan lezen. Een specialist laat zich niet 'coachen' op de inhoud door iemand die de materie minder snapt dan hijzelf. Moderne managers sturen op richting en output, niet op de operationele handelingen.
3. De illusie van de managementgoeroe
Waarom trappen we met z'n allen al decennialang in dezelfde valkuil? Omdat we dol zijn op overzichtelijke schema's. Het geeft ons een gevoel van controle. Een gedachte-experiment maakt dat direct voelbaar. Stel: iemand legt je met een stellig gezicht het model uit van een wereldberoemde managementgoeroe - een model over vier organisatievoorwaarden richting de ontwikkeling van high performance teams. De kans is groot dat je knikt, ijverig meeschrijft en je eigen organisatie erin herkent.
De clou? Zo'n model - inclusief de naam van de goeroe - kan volledig verzonnen zijn, en toch overtuigend klinken. Dat is de ultieme paradox: een model kan nog zo geloofwaardig en logisch klinken, maar de vereenvoudigde werkelijkheid op papier helpt je in de praktijk geen meter verder.
Het inzicht dat overblijft, is een stevige: geen enkele externe goeroe of papieren blauwdruk gaat je team redden. Leiderschap is geen matrix-trucje dat je toepast. Leiderschap vraagt de bereidheid om de maskers af te doen, het ongemak te dragen en met je eigen autonome zenuwstelsel de thermometer te durven zijn voor de onderstroom in je team. Je lost de kramp van een groep niet op met een flipovervel, maar door de hitte van de zaal te verdragen en de werkelijkheid live op de vloer aan te kijken.
4. Wetenschappelijk beperkt onderbouwd
Het gedachte-experiment uit punt 3 ligt verrassend dicht bij de werkelijkheid. Dit is de grootste olifant in de kamer: het model van situationeel leiderschap heeft nooit sterke wetenschappelijke steun gekregen. Sterker nog, zelfs de bedenkers zijn er in de loop der jaren stilletjes van teruggekrabbeld.
Toen het model in de jaren '70 en '80 populair werd, probeerden onafhankelijke onderzoekers de effectiviteit ervan aan te tonen. Met wisselend en over het geheel genomen zwak resultaat. Al in 1983 zette onderzoeker Graeff grote vraagtekens bij de theoretische logica van het model. Latere empirische toetsen, onder meer door Vecchio (1987), Goodson, McGee en Cashman (1989) en Blank, Weitzel en Green (1990), vonden geen consistent verband tussen het aanpassen van je stijl aan de 'taakvolwassenheid' van een individu en betere prestaties of hogere tevredenheid. In 1997 herhaalde Graeff die conclusie in een uitgebreide kritische review van het model.
Nog veelzeggender: Hersey en Blanchard trokken hun eigen wetenschappelijke claim geleidelijk in. Waar ze in 1977 nog stelden dat hun model een theoretische grondslag had, spraken ze in 1985 nog slechts over "eigen ervaringen en feedback van managers." In 1988 noemden ze het zelf geen 'theorie' meer, maar een 'model' - een stille aftocht in vier stappen die meer zegt dan welk onderzoek ook.
Samengevat: situationeel leiderschap is populair gebleven in trainingen, maar de klassieke kwadranten van Hersey en Blanchard kennen tot op de dag van vandaag beperkte en wisselende wetenschappelijke steun - ook wat de makers er zelf nog van overeind houden. Dat traditionele trainingsbureaus het nog altijd massaal verkopen, is een knap staaltje marketing, geen kwestie van effectiviteit.
5. Het negeert de wetten van de onderstroom
Het model richt zich puur op het individu: de manager met de individuele medewerker. Maar hoe een teamlid of professional zich gedraagt en in welke mate hij zijn volledig potentieel weet aan te boren, wordt grotendeels bepaald door de omgeving waarin hij zich bevindt: het team, de organisatie. Daar gelden ongeschreven en vaak ook onuitgesproken regels over 'hoe we het hier doen'. Wie niet meedoet, ligt eruit. Dat 'eruit' liggen voelt onderbewust nog precies hetzelfde als in de oertijd achtergelaten worden door de stam. Dan is het klaar en zal je sterven. Leiders die dit onderbewuste veld niet zien of negeren, en in plaats daarvan met een kwadrantenboekje onder de arm aan losse poppetjes blijven sjorren, verdrinken vroeg of laat in de onderstroom waarvan ze al die tijd hardvochtig weg hebben gekeken.
De nieuwe focus: Van individuele sturing naar High Performance Teams
We bevinden ons in het tijdvak van de wendbare, lerende en bezielde organisaties. De wereld is veel te complex en te dynamisch geworden om elke medewerker aan het handje te nemen. Als we het klassieke situationele model van Hersey bij het oud vuil zetten, wat is dan de nieuwe koers?
De verschuiving is helder: minder sturen op de een-op-een ontwikkeling van individuen, en focussen op het lerend vermogen en de collectieve wendbaarheid van teams.
Niet de individuele medewerker moet 'taakvolwassen' worden, het team als geheel moet toe naar het niveau van een High Performance Team. En daar horen moderne teamfasemodellen bij (zoals die van Katzenbach & Smith en Vroemen). Teams ontwikkelen zich namelijk in duidelijke fasen, en elke fase vraagt om een heel andere rol van de leider:
- Het Volkstuinteam: Ieder bewerkt zijn eigen stukje grond in een collegiale sfeer. Er is een prima wij-gevoel, het individu viert hoogtij en men neemt hooguit tijdelijk wat werk van elkaar over.
- Het Taakteam: De omslag naar echte wederzijdse afhankelijkheid en collectieve taakverantwoordelijkheid. De groep ziet in dat ze elkaar nodig hebben om de resultaten te behalen.
- Het Topteam: Er ontstaat volwassen ondernemerschap. Het team neemt zelfstandig beslissingen en legt achteraf verantwoording af aan de omgeving, in plaats van vooraf toestemming te vragen.
- Het High Performance Team: Het absolute hoogste niveau. Het team functioneert met blind vertrouwen en pure bezieling als één organisme, heeft aan een half woord genoeg en ervaart die zeldzame flow waarin ze ver boven zichzelf uitstijgen.
De taak van de moderne manager? Niet de poppetjes instrueren, maar herkennen in welke fase het team acteert en de leiderschapsstijl aanpassen aan de specifieke teamuitdagingen.
Hoe TeamSpeling naar leiderschap kijkt: Humor als methodiek
Bij TeamSpeling geloven we niet in het aanleren van een kunstig setje stijlen uit een theoretisch boekje. Wij geloven in ervaren, spiegelen en het doorbreken van patronen.
In onze training Situationeel Leiderschap gaan we niet braaf luisteren naar een powerpointpresentatie. We gaan aan de slag met de rauwe organisatiecontext. We creëren een veilige setting met interactieve opdrachten, een flinke dosis verwarring, leuke spanning en vooral: heel veel humor.
Humor is voor ons een geraffineerde methode om het leren en veranderen binnen teams in beweging te zetten. We spelen het spel met de aannames, de vaste gewoonten en het ongemak. Managers ontdekken op een speelse manier hoe ze hun eigen teams scoren, om vervolgens de spiegel voorgehouden te krijgen met de vlijmscherpe vraag van de trainer: "Wat is zo kostbaar voor je om los te laten waardoor de ontwikkeling van het stagneert?"
Veelgestelde vragen over situationeel leiderschap
Wat is situationeel leiderschap in het kort?
Situationeel leiderschap is een managementtheorie waarbij een leidinggevende zijn stijl (instrueren, coachen, ondersteunen of delegeren) aanpast aan het niveau van de medewerker op een specifieke taak.
Is situationeel leiderschap wetenschappelijk bewezen?
Niet sterk. Onafhankelijke wetenschappelijke evaluaties vinden herhaaldelijk beperkte en wisselende steun voor de claims van het model, en zelfs Hersey en Blanchard zelf noemden het uiteindelijk geen 'theorie' meer maar een 'model'. Er is geen consistent bewijs dat het toepassen van de kwadranten leidt tot betere prestaties.
Wat is een goed alternatief voor het model van Hersey en Blanchard?
Kijk in plaats van individuele gedragsmodellen naar teamontwikkelingsfasen. Richt je op het transformeren van je afdeling naar een High Performance Team door de thema's aan te pakken die horen bij de specifieke teamfase (zoals vertrouwen, conflictbereidheid en gedeelde verantwoordelijkheid).
Waarom is het klassieke model dan nog steeds zo populair?
Omdat het simpel, visueel aantrekkelijk en makkelijk uit te leggen is tijdens een droge workshop. Het geeft managers het comfortabele (maar valse) gevoel dat leiderschap een overzichtelijke, mechanische checklist is.
Hoe weet ik of mijn leiderschapsstijl effectief is?
Kijk niet naar de theorie, maar naar het teamwork. Functioneert het team als een collectief? Is er psychologische veiligheid om elkaar aan te spreken? Worden de échte uitdagingen besproken of vakkundig vermeden? De effectiviteit van jouw leiderschap zie je direct terug in de volwassenheid van je team.
Conclusie
Het klassieke situationeel leiderschap heeft zijn tijd gehad. Het was een nobele poging om de grillige werkelijkheid van management te vangen in een overzichtelijk schema. Maar de wereld is veranderd. Moderne organisaties vragen om wendbare, lerende teams en collectieve kracht.
Modern leiderschap vraagt niet om het kiezen van een voorgeprogrammeerd kwadrant per medewerker. Het vraagt om het begrijpen van de teamfase, het doorzien van de onderstroom en het hebben van de moed om kritisch naar je eigen invloed op het teamwork te kijken. Dat is een stuk uitdagender dan vier gekleurde vakjes invullen. Maar als de rook eenmaal is opgetrokken, is het wel het enige dat écht werkt.
Bronnen wetenschappelijke kritiek
- Graeff, C. L. (1983). The situational leadership theory: A critical view. Academy of Management Review, 8(2), 285–291.
- Vecchio, R. P. (1987). Situational leadership theory: An examination of a prescriptive theory. Journal of Applied Psychology, 72(3), 444–451.
- Goodson, J. R., McGee, G. W. & Cashman, J. F. (1989). Situational leadership theory: A test of leadership prescriptions. Group & Organization Studies, 14(4), 446–461. https://doi.org/10.1177/105960118901400406
- Blank, W., Weitzel, J. R. & Green, S. G. (1990). A test of the situational leadership theory. Personnel Psychology, 43(3), 579–597.
- Graeff, C. L. (1997). Evolution of situational leadership theory: A critical review. The Leadership Quarterly, 8(2), 153–170.
- Achtergrond bij de terugtrekking van Hersey en Blanchard (1977-1988): Evidence Based HRM, "Situational Leadership I of II (Hersey en/of Blanchard)", evidencebasedhrm.be.
Meer lezen over dit onderwerp?
* Unieke Training Situationeel Leiderschap bij TeamSpeling
* De diepte in met Teamontwikkeling
* Het fundament: Management training voor het MT
* De Piramide van Lencioni in de praktijk
Wil je met je managementteam de papieren theorie voorbij en ontdekken in welke teamfase jullie écht zitten? Neem contact met ons op voor een actieve, ontwapenende verkenning.


























